| Weetjes, scheepstermen en veiligheid aan boord |
De onderdelen van een skûtsje
Een skûtsje is een platbodem zeilschip. Het bestaat een romp, zwaarden, roer, mast en zeilen.
Bron: Maritiem Museum Rotterdam
- Romp
Een skûtsje heeft een karakteristieke ronde kop en kont en is gebouwd van staal. Als je in de gelegenheid
bent, moet je eens goed naar de vorm van de verschillende schepen kijken. Het zal je opvallen dat
er geen 2 schepen identiek zijn. Hoewel de kop van het schip belangrijk is in verband met de weerstand
in het water, is de kont misschien nog wel belangrijker. De kont van het schip moet zo gebouwd zijn,
dat het gemakkelijk water 'loslaat': van groot belang voor de snelheid.
Op de romp tref je in de eerste plaats de roef aan: de vroegere huiskamer van de schippersfamilie.
De roef van De Harmonie
is met banken en kastjes ingetimmerd zodat we hier met de hele bemanning in kunnen zitten. Er zijn nog
schepen in de vloot die een echt autentiek ingetimmerd interieur hebben, compleet met kastjes, tafeltje
(perzisch tapijtje er op) en losse
stoeltjes. Achter de roef vind je de bedstee waar de schipper en zijn vrouw vroeger sliepen. Op De Harmonie slaapt Japie hier meestal met zijn honden en is het overdag een prima bergplaats voor bagage.
Voor de roef vind je de luikenkap, afgedekt met een bruin dekkleed. Deze luiken, waaronder de
vracht werd opgeslagen, lagen vroeger los op het schip. Om veiligheidsredenen hebben wij ze vastgezet.
Onder de luikenkap is het slaapgedeelte van de bemanning.
Helemaal vooraan vind je De Dirk, afgesloten door een fraai beschilderd Dirksluik (bedankt Joke!).
Ook in de dirk is slaapgelegenheid, maar tijdens het zeilen gebruiken we deze ruimte voor de opslag
van Fenders (stootkussens), het anker en de sleeptros.
- Zwaarden
Een skûtsje is een platbodem. Dit betekent dat het geen kiel heeft. Het vlak aan de onderzijde van de
romp is volkomen plat. Om zijwaardse druk van de wind (en stroming) om te zetten in voorwaartse druk
maken we gebruik van zwaarden. Deze zwaarden voorkomen bovendien dat het schip omkiepert.
De zwaarden zijn gemaakt van hout en wegen per stuk zo'n 400 kilogram.
De zwaarden kunnen omhoog en omlaag worden getakeld. De bemanningsleden die de zwaarden
bedienen zorgen er voor dat het zwaard zich aan de zijde van het zeil in het water hangt. Je kunt de
zwaarden dieper en minder diep in het water 'steken'. Dit is een nauwkeurig werkje. Want hoe dieper
het zwaard steekt, hoe groter de stabiliteit van het schip, maar ook, hoe groter de weerstand. Daarnaast
wil je ook voorkomen dat het zwaard de bodem van het meer raakt. De mensen die het zwaard bedienen
zijn dan ook voortdurend alert op de zeileigenschappen van het schip.
- Roer
Een skûtsje heeft een aangehangen roer. Dit roer is gemaakt van hout. Het roer wordt door de
schipper of stuurman bewogen met het helmhout. Als het hele schip goed is uitgetrimd (alles
staat goed: de zwaarden, de mast en de zeilen) dan 'ligt het schip goed op z'n roer'. Het is dan met een
pink te besturen. Als de schipper moet sleuren aan zijn roer om het schip op koers te houden is er iets
niet in orde. We zullen dan moeten kijken naar de stand van de zwaarden en zeilen.
- Mast
De Harmonie heeft een zgn. voorgespannen verlijmde mast. Dit betekent dat de mast door de mastenmaker
een lichte kromming heeft meegekregen. De mast is gemaakt van diverse stukken hout die aan elkaar
zijn gelijmd. Voordat we gaan zeilen wordt de mast met een lier rechtgetrokken. Dit komt de zeileigenschappen
ten goede, we kunnen daardoor 'hoger aan de wind' zeilen.
De mast wordt rechtop gehouden door dikke staalkabels: de verstaging. De Harmonie heeft 1 voorstag
en aan beide zijden van het schip 2 zijstagen.
Het bovenste puntje van de mast heet de hommert. De hommert is zwart. Bovenop de hommert
bevindt zich een lange windvaan: de vleugel.
- Zeilen
Een skûtsje voert 2 zeilen: een grootzeil en een fok. De zijkanten van het zeil noemen
we lijken. Het voorste zeil, de fok, wordt met leuvers aan de voorstag bevestigd: daarmee de verbinding
vormend tussen het voorlijk van de fok en de voorstag. De fok is voorzien van zeillatten: houten
plankjes die in het zeil worden gestoken om te voorkomen dat het achterlijk van de fok gaat klapperen.
De fok wordt bediend met de fokkeschoot: een stuk touw dat over 2 houten blokken (katrollen) loopt.
Aan de ene kant wordt wordt een blok aangeslagen (bevestigd) aan het schootoog van de fok,
het andere blok wordt aangeslagen aan de overloop: een kromme stalen buis die voor de mast
horizontaal over het schip loopt.
De zeilen worden nog grotendeels met de hand gemaakt. Een stukje vakwerk als resultaat.
Het achterste zeil, het grootzeil, wordt met het voorlijk door middel van rakbanden, voorzien van houten
bolletjes (kloten),
aangeslagen op de mast. Het bovenlijk wordt aangeslagen aan de gaffel en het onderlijk is aan de
achterzijde bevestigd aan de giek: een houten paal van zo'n 700 kilogram. Het onderlijk wordt
verder niet aan de giek bevestigd, hoewel de bolling van het zeil met behulp van de onderlijkstrekker
kan worden aangepast. Op de hoek van voor- en onderlijk zit het halsoog, waaraan een touw met blokjes
wordt bevestigd: de hals. Met hals en onderlijkstrekker kunnen we de bolling van het zeil tijdens het zeilen
aanpassen. Als we 'aan de wind' (de wind komt dan schuin van voren) zeilen willen we het zeil vlakker
hebben staan, terwijl we tijdens 'ruime koersen' (de wind komt dan schuin van achteren) juist meer
bolling in het zeil willen hebben. Net als de fok is ook het grootzeil voorzien van zeillatten, om klapperen
van het onderlijk te voorkomen.
Het grootzeil wordt bediend met een schoot: de grootschoot. Dit stuk touw is doormiddel van 2
blokken aan de ene kant bevestigd aan de achterzijde van de giek en aan de andere kant vastgemaakt
aan een oog op het achterdek (net achter de roef).
Beide zeilen worden aan staalkabels (vallen) met behulp van lieren omhoog gehezen.
Andere onderdelen
- Kraanlijn
De kraanlijn loopt van de bovenkant van de mast naar het achterste puntje
van de giek. Bij het hijzen en strijken van het grootzeil zorgen we er altijd
voor dat de giek 'in de kraanlijn hangt'. Ook bij het gijpen hangen we de giek
in de kraanlijn om er voor te zorgen dat de giek niet te laag over het
dek scheert.
- Katlijn
Met de katlijn kunnen we het voorlijk van het grootzeil een stuk omhoog
takelen. Op deze manier heeft de schipper een vrij uitzicht naar voren.
Handig als het druk is in de buurt van de haven, of bij de start van een
wedstrijd.
- Puts
Het meest functionele hulpmiddel aan boord. Dit emmertje gebruiken we voor
het schrobben van het dek, als damestoilet en als drinkbak voor de honden. In
noodgevallen kan het zelfs als sprinklerinstallatie dienst doen!
- Klik
Fraai versiersel aan de bovenkant van het roer met de 'hoorn des overvloeds'.
Als de eikels goud geverfd zijn is het schip afbetaald.
- Opsteker
Voor de boeg van het schip vinden we de opsteker. Aan de opsteker wordt de
onderkant van het voorlijk van de fok bevestigd. De voorkant van de fok
steekt daardoor voor het schip uit. Dit komt de zeileigenschappen ten goede.
- Fokkeloet
De fokkeloet is een zware 'paal' die we gebruiken om in voordewindse rakken
de fok 'te loefert' te zetten. Het werken met de fokkeloet kan een gevaarlijk
werkje zijn en zeker niet voor beginners.
Termen en kreten tijdens het zeilen
- (hoog) aan de wind zeilen
Recht tegen de wind in zeilen gaat helaas niet. De maximale hoek is ongeveer
45 graden. Door aan de wind te zeilen en te kuisen, zeilen we naar de wind
toe. De schoten worden maximaal aangetrokken.
- Met halve wind zeilen
Met halve wind komt de wind onder een hoek van ca 90 graden binnen. We zetten
de schoten wat losser en brengen wat meer bolling in het zeil door hals en
onderlijkstrekker wat te vieren. Met halve wind bereikt het schip haar
grootste snelheid.
- Met ruime wind zeilen
Als we met ruime wind varen komt de wind schuin van achteren. We laten de
schoten nog wat vieren en brengen nog wat meer bolling in het zeil.
- Voor de wind zeilen
Bij het voor de wind zeilen komt de wind recht van achteren. De schoten worden
maximaal gevierd. Tevens voeren we de fok aan de andere kant van het schip,
zodat we een maximaal zeiloppervlak benutten. Voor dit laatste gebruiken
we de fokkeloet.
- Oploeven en ruimen
Als we oploeven, gaan we 'naar de wind toe'. We gaan dus 'hoger' varen.
Bijvoorbeeld van 'ruime wind' naar 'halve wind'.
Als we afvallen, gaan we 'van de wind af'. We gaan 'lager' varen. Bijvoorbeeld
van 'aan de wind' naar 'halve wind'.
- Door de wind gaan / overstag gaan
We kunnen niet recht tegen de wind in zeilen, maar we kunnen wel opkuisen door
hoog aan de wind te varen. Als we hoog aan de wind varen en we loeven nog
verder op dan draait de boeg van het schip door de wind. Giek en zeilen komen
over het schip (oppassen dus!) en we voeren de zeilen vervolgens aan de andere
kant van het schip. Tijdens het overstag gaan wordt het ene zwaard uit het
water gehaald en het andere gaat er in.
- Gijpen
Gijpen lijkt op 'door de wind' of 'over stag' gaan, alleen draaien we nu het
schip van de wind af. Op deze manier draait de kont van het schip door de
wind. Gijpen met een skûtsje is geen gemakkelijke manoevre en vraagt
veel concentratie en voorbereiding door de bemanning.
- Reven
Als het hard waait (meestal harder dan windkracht 4) of er zijn veel vlagen
wind, dan zullen we wat zeil weg moeten nemen. Hiervoor zijn reefknuttels
(touwtjes) in het grootzeil en de fok aangebracht. We kunnen zo'n 30% zeil
wegknopen, waardoor bij harde wind de zeileigenschappen worden verbeterd en
de kans op omslaan minder wordt.
Veiligheid aan boord
Bedenk voor alles: je zeilt op een wedstrijdschip. En alles is groot en zwaar op
een skûtsje: veel zeiloppervlak, grote blokken, zware schoten, lieren en
dikke staalkabels. Er ontwikkelen zich enorme krachten op al deze onderdelen.
Voorzichtigheid is dus geboden! Enkele veiligheidsregels:
- Volg altijd de commando's op van schipper en bemanning. Zij kennen het schip
door-en-door en zeilen al jaren op een skûtsje.
- Denk altijd eerst aan jezelf en je eigen veiligheid. Het schip kan wel een
stootje verdragen en anders repareren we het wel.
- Leg touw altijd voor je neer. Ga er nooit op zitten. Zorg dat je het kunt
zien. Bij een manoevre met een arm of been in een touw verstrikt raken is geen
pretje.
- Blijf met je vingers uit de buurt van de blokken.
- Let tijdens overstag gaan of gijpen goed op. Blijf 'uit de gang van de blokken'
als het zeil van de ene naar de andere kant gaat. Let ook op de giek. Dit paaltje
van zo'n 700 kilo wil je niet graag tegen je hoofd hebben.
- Als je wilt, kun je altijd om een zwemvest vragen, we hebben er voldoende aan
boord.
- Let voor aanvang van de zeiltocht goed op de veiligheidsinstructie van schipper
en bemanning. Is er iets niet duidelijk? Stel vragen!
Andere pagina's
|